Rechtbank maakt einde aan de kanteling

Gemeenten mogen een voorziening op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) niet weigeren op grond van het inkomen of het vermogen van de aanvrager. De Centrale Raad van Beroep heeft dat op 25 november 2013 beslist in drie uitspraken en de maakt daarmee een einde aan de kanteling.

De Centrale Raad van  Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

In 3 uitspraken maakt de Centrale raad voor eens en voor altijd een einde aan de discussie rond inkomen bij aanvragen binnen de Wmo. Daarbij maakt de rechter feitelijk een einde aan de kanteling die afgelopen jaren bij de meeste gemeentes in swung is geraakt.

De uitspraken:

1.Zaaknummers 13/559 en 13/5489 WMO, link

De aanvraagster die voor haar verzorging bij haar dochter was gaan inwonen, kreeg van de gemeente te horen dat zij de kosten van de huishoudelijke verzorging zelf kon dragen, omdat zij de kosten van levensonderhoud kon delen met haar dochter en een vermogen van ruim € 50.000,– had.

2. Zaaknummers 13/556 en 13/2954 WMO, link

Gemeente weigerde een traplift, omdat de aanvrager een inkomen van € 27.000,– en een vermogen van € 270.000,– had. De aanvrager had daarbij de traplift al aangeschaft op eigen kosten voor de aanvraag.

3. Zaaknummers 13/379, 13/380, 13/2388, 13/2389 WMO, link

In de derde zaak ging het om een echtpaar dat niet werd toegelaten tot de Regiotaxi.

De Centrale Raad van Beroep erkent in zijn uitspraken dat gemeenten rekening mogen houden met de eigen verantwoordelijkheid van de burger bij de beoordeling of deze voldoende zelfredzaam is om zelf een voorziening te organiseren. Maar dat betekent niet dat de gemeente een individuele Wmo-voorziening mag weigeren op grond van het inkomen of vermogen van de aanvrager. Dat doorkruist de wettelijke eigenbijdrageregeling die op grond van de Wmo is getroffen. Gemeenten zouden daarmee inkomensbeleid kunnen gaan voeren, wat de centrale wetgever niet wil. Bovendien frustreert zo’n eigen beleid de wettelijk geregelde anticumulatie van eigen bijdragen op grond van de Wmo en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

Het oordeel van de Centrale Raad van Beroep is een eindoordeel. Partijen kunnen tegen deze uitspraken geen hoger beroep instellen.

Noot:

Dat gemeentes geen inkomensbeleid mogen voeren was al bekend, afgelopen 2 jaar zijn verschillende gemeentes op de vingers getikt voor het voeren van inkomensbeleid. Het probleem daarbij is steeds geweest dat de eigen bijdrage gericht is op de situatie na toekenning van een voorziening. Daartegen over gaat de discussie rond het rekening houden met de mogelijkheid om zelf in de kosten te voorzien, over de situatie voor toekenning of zelfs voor aanvraag.  De 3 uitspraken van de centrale raad maken duidelijk dat ook voor de situatie waarin mensen zelf kunnen voorzien, dit aspect alleen mag worden bezien vanuit de eigen bijdrage regeling.
Dit blijkt niet zozeer uit het feit dat de centrale raad de cliënt gelijk geeft in de genoemde uitspraken.  Immers hebben de gemeentes in de onderhavige besluiten zich niet beroepen op het zelf kunnen voorzien van de cliënt maar op het inkomen en/of vermogen van de cliënt.
En dat is inkomenspolitiek, zonder twijfel.  Echter wordt in de motivatie van de centrale raad indirect beslist over die cliënt die bereid is zijn vermogen of inkomen in te zetten om zelf te voorzien. letterlijk staat in 1 van de uitspraken:

Met appellant is de Raad van oordeel dat aan de eigen verantwoordelijkheid van de burger in het kader van de Wmo substantieel betekenis toekomt bij de beoordeling van diens zelfredzaamheid. Deze kan echter, gelet op hetgeen onder 5.3 tot en met 5.6 over de betekenis van artikel 4 van de Wmo is overwogen, niet zover gaan, dat een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk aan de aanvrager wordt onthouden op grond van diens inkomen of vermogen. Dit zou leiden tot een doorkruising van de door de wetgever geregelde waarborgen van de artikelen 15 en 19 van de Wmo. Gemeenten zouden daardoor toch een door de wetgever niet gewenst inkomensbeleid kunnen gaan voeren. Bovendien zou de door het college voorgestane toepassing van de Wmo de uitvoering van de anticumulatieregeling (anticumulatie van eigen bijdrage ingevolge de Wmo met de eigen bijdrage ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) frustreren. Het beroep van appellant op de uitspraken van de Raad, waarin de eigen verantwoordelijkheid van de burger terecht werd tegengeworpen door het bestuursorgaan, slaagt niet. De situaties die daarin aan de orde waren, betreffen immers niet het sec opwerpen van een financiële drempel bij de aanvraag van een voorziening. De situatie van betrokkene is daarmee evenmin onder een noemer te brengen nu betrokkene de kosten van de traplift uit eigen middelen heeft voorgeschoten.”

einde aan de kanteling
Met bovenstaande maakt de centrale raad in een keer een einde aan de kanteling die binnen de gemeentes zo sterk doorgevoerd wordt op dit moment en in de nieuwe Wmo 2015 zelfs “verankerd” is.

Immer is de kanteling erop gericht om het zelf oplossend vermogen van cliënten vol te benutten waarbij onder anderen gekeken wordt naar de financiën en naar het inzetten van het netwerk.  Vanuit het zelf oplossen van problematiek bijvoorbeeld door het zelf aanschaffen van een traplift wordt een beroep op de Wmo en op gebruik van het oh zo kostbare gemeenschapsgeld voorkomen.
De centrale raad geeft nu nadrukkelijk aan dat dat niet meer mag. Zelfs een miljonair kan een beroep doen op voorzieningen uit de Wmo.  En ja via een eigen bijdrage kun je veel herstellen. Maar als iemand een uitgebreid zorgpakket heeft of een handige boekhouder dan is het maar de vraag of de voorziening betaald zal worden vanuit de eigen bijdrage of vanuit de Wmo.

En als we dan toch bezig zijn kunnen we niet dezelfde redenatie in zijn geheel doorvoeren op de ondersteuning vanuit het netwerk. Met andere woorden: stel dat in een keukentafelgesprek besproken wordt dat een familielid de huishoudelijke taken van een cliënt wel wil uitvoeren als  mantelzorger.  Mantelzorg is echter niet afdwingbaar dus indien de cliënt nee zegt omdat zij liever gebruikt maakt van de Wmo dan kan daar vanuit hetzelfde principe als hierboven benoemd door de gemeente bij een beslissing niet op afgewezen worden. En daarmee is het einde aan de kanteling een juridisch feit.

Maar hoe zit dat in 2015? 
De nieuwe Wmo is toch gekanteld? Ja op zich wel maar in de toelichting op de concept wet is duidelijk omschreven dat de regels van inkomensbeleid zoals die nu gelden ook in 2015 van kracht blijven. In de nieuwe wet heeft de gemeente 6 weken om onderzoek te doen en een verslag te schrijven. Als daarin bepaald wordt dat een cliënt zelf financieel kan voorzien dan is het enige wat de cliënt hoeft te doen: een aanvraag indienen. De gemeente moet dan als nog positief beschikken op basis van de zojuist ontstane jurisprudentie.

Een mooi begin van een nieuwe periode :-(

Aanvulling
Naar aanleiding van de jurisprudentie en mijn gedachten erbij heb ik contact gezocht met de VNG. Hun reactie:  Zij delen mijn bevindingen maar zien het niet als een einde aan de kanteling. Hun advies was besluitvorming vanuit eigen kracht en zelf voorzien overeind te houden maar wel op de juiste manier te motiveren.  Ik kan me daarin vinden al heeft het behoorlijke consequenties. Zo zal vaker bezwaar gegrond worden en moet je als gemeente contrair durven te gaan met zeer onzekere uitkomst. De VNG gaf ook aan dat zij alles geprobeerd hebben om dit probleem in de nieuwe wetgeving te veranderen. Helaas zonder succes.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *