AWBZ inzicht op clientniveau

Onderstaand artikel werd 11-6-2014 op invoeringwmo.nl geplaats naar aanleiding van 2 projecten die ik opgezet heb voor het herindiceren van AWBZ cliënten die overkomen naar de Wmo. De methode die toegepast is werkt zo goed dat we momenteel in 2 gemeentes alle AWBZ cliënten herindiceren op deze wijze.

‘Maatwerk dicht bij de burger’ is de gedachte waarop de Wmo 2015 steunt. Voor maatwerk heeft een gemeente gedegen kennis van de cliënt nodig. Zodra die kennis ontbreekt, is het lastig beleid maken. Veel gemeenten bevinden zich in deze spagaat. Veenendaal koos een verrassend simpele aanpak. In plaats van te wachten met herindiceren ging de gemeente vast inventariseren. Het leverde een schat aan informatie op. Bijvoorbeeld dat de mogelijke inzet van vrijwilligers minder groot is dan gedacht.

“Vanaf volgend jaar moeten forse bezuinigen gemaakt worden. Ook de ondersteuning van huidige AWBZ-cliënten zal veranderen. Door het anders te organiseren of minder uren in te zetten. Het is aan gemeenten om deze cliënten een nieuw aanbod te doen, ofwel te herindiceren.” Aan het woord is Norbert Strijker. Hij is projectleider pilot inventarisatie AWBZ bij de gemeente Veenendaal. “Zo’n herindicatie bestaat uit 2 delen. Het eerste deel betreft de situatie van de cliënt. Welke behoefte aan ondersteuning is er? Hoe ziet het sociaal netwerk eruit? Dit is het meest tijdrovende stuk van een herindicatie. Het tweede deel is de eigenlijke herindicatie: een nieuw aanbod. Stel dat je het tweede deel nog niet kunt doen, bijvoorbeeld omdat het beleid nog niet klaar is. Waarom zou je dan niet vast beginnen met een goed beeld van de cliënt te vormen?” Dit is precies wat de gemeente Veenendaal deed. En ze noemde het geen herindicatie, maar een inventarisatie.

Bereidwillig

Voor de selectie van cliënten vroeg Veenendaal medewerking van de zorgaanbieders. In nauwe samenwerking werd in een zorgvuldige procedure een aantal cliënten benaderd. Opvallend was de bereidwilligheid van de cliënten. “Het simpele feit dat het geen indicatiegesprek maar een inventarisatie was, maakte een wereld van verschil”, vertelt consulent Erica van Middelkoop. “Het was veel minder bedreigend. Bijna alle cliënten stelden zich heel erg open op. Ze vonden het fijn om aan de pilot mee te doen. Want wij merkten wel dat er veel onzekerheid leeft. Cliënten vragen zich af wat hen te wachten staat. Ze waren blij dat ze hun verhaal konden doen. Gaandeweg de pilot meldden mensen zich zelfs aan voor een gesprek.” In totaal bezochten de consulenten 146 cliënten thuis.

Open vraag

Alle cliënten kregen dezelfde vragen. Zoals ‘hoe was de situatie toen de begeleiding begon?’. Erica: “Dat is een heel open vraag, waardoor cliënten veel konden vertellen. Dat gaf een goed beeld van hun ontwikkeling en van de stabiliteit van de huidige situatie.” Ook vroegen de consulenten welke begeleiding cliënten nu precies kregen, wat er was bereikt met de begeleiding, hoe de ze de begeleiding zelf ervoeren, op welke manier het sociale netwerk betrokken was en – als afsluiter – wat er zou gebeuren als de begeleiding zou stoppen. “De laatste vraag maakte de noodzaak van de begeleiding duidelijk. Slechts enkele cliënten antwoordden dat het eigenlijk niet zo veel verschil zou maken. Voor de meesten zou het van grote betekenis zijn. En zelfs kunnen leiden tot verwaarlozing of afglijden tot het punt waar de begeleiding ooit startte.”

Specifieke informatie

De informatie uit al die gesprekken werd vervolgens bewerkt. “Met een managementsysteem hebben we er specifieke informatie uitgehaald”, vertelt Norbert. “Bijvoorbeeld hoeveel uur van de indicatie daadwerkelijk gebruikt wordt. Maar ook of het sociale netwerk voldoende betrokken is en of meer inzet van vrijwilligers mogelijk is.” 24% van de cliënten uit de pilot zou met minder uren toe kunnen. Bij 40% is de inzet precies goed. “Voor deze cliënten verandert er straks dus niets. We kunnen ze in oktober direct een beschikking sturen.” De winst uit versterking van het sociale netwerk valt tegen in Veenendaal, net als de mogelijke inzet van vrijwilligers. “25% van de cliënten kan meer gebruikmaken van het sociale netwerk, 69% niet, van 6% is het niet duidelijk. Van de begeleiding bij praktische zaken – zoals administratie en post, wandelen of het huishouden – kan slechts 20 tot 25% door vrijwilligers worden overgenomen.”

Geen doel maar middel

Hoe het precies zit met de inzet van vrijwilligers legt Erica uit. “Vrijwilligers voegen zeker iets toe. Alleen al omdat cliënten met vrijwilligers een heel ander soort relatie hebben dan met een professional. Vrijwilligers zijn dus een belangrijk contact. Maar bepaalde ziektebeelden en handicaps vragen om een bepaalde deskundigheid. Dat kun je van een vrijwilliger niet verwachten.” Ook kan niet elke vorm van praktische ondersteuning zomaar door een vrijwilliger worden overgenomen. “Ik kwam bijvoorbeeld een professional tegen die elke week met zijn autistische cliënt gaat koken. Op het eerste gezicht een activiteit die bij uitstek geschikt lijkt voor een vrijwilliger. In dit geval ging het echter niet zozeer om het koken, maar was het een manier om met de cliënt in gesprek te komen. Dan is het koken dus geen doel, maar een middel.” Hiertegenover staat het voorbeeld van de professionele begeleider die wekelijks kookt voor een groep cliënten die zelfstandig wonen. Met als doel: een gezonde maaltijd. “Dit is wel typisch een activiteit voor een vrijwilliger. Het is dus belangrijk dat je voor elke situatie een afweging maakt. Dat is maatwerk.”

Resultaatgericht

Of er winst te behalen is, hangt ook erg af van de zorgaanbieder. “Sommige zorgaanbieders zijn al heel ver met de inzet van het sociale netwerk en vrijwilligers”, zegt Erica. “Anderen nog niet. Dan valt er dus nog wat te verbeteren.” In Veenendaal gaan zorgaanbieders opvallend zorgvuldig met uren om. “Eerlijk gezegd verwachtte ik dat de ureninzet aan de bovengrens zou zitten, maar dat is dus niet zo”, zegt Norbert. “Ook dat is een belangrijke uitkomst, want het voorkomt dat je een verkeerde uitgangspositie kiest. Veel zorgaanbieders in Veenendaal hebben de laatste jaren al een efficiencyslag gemaakt. Dan is een bezuiniging moeilijk, maar voor het inkoopbeleid is het interessant. Dat kan Veenendaal heel goed resultaatgericht maken, juist omdat de zorgaanbieders het al zo goed doen.” Dat het ook anders kan zien laten e A2-gemeenten Cranendonck, Heeze-Leende en Valkenswaard zien. Ook zij deden een pilot inventarisatie AWBZ. “Wat hier opviel was dat zorgaanbieders de uren van de indicatie juist wel maximaal inzetten. Deze gemeenten kunnen volgend jaar dus gemakkelijker hun beoogde bezuiniging halen.”

Alle cliënten

In Veenendaal is de pilot nu bijna afgerond. De gemeente kijkt er met een goed gevoel op terug. Of zoals Erica het zegt: “Het was een pilot met uiteenlopende resultaten. We hebben veel informatie opgehaald. Tegelijkertijd konden we weerstand bij cliënten weghalen en de samenwerking met de zorgaanbieders verder versterken.” Veenendaal overweegt zelfs om met alle cliënten die overkomen uit de AWBZ een inventarisatiegesprek te voeren. Norbert: “Zo kan de gemeente cliënten zo vroeg mogelijk van een nieuwe aanbod voorzien, waarschijnlijk al voor januari 2015. Bovendien zal het aantal bezwaren vermoedelijk beperkt blijven, juist omdat cliënten het gesprek zo positief waarderen. Wachten tot volgend jaar zou de gemeente geld kosten. Maar wat nog belangrijker is, cliënten blijven dan ook langer in onzekerheid.”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *